Noor heeft pijn aan haar oor

Noor heeft pijn aan haar oor, zingt mijn moeder met een lach en een traan. Oorontstekingen plagen mij al sinds de dag van mijn geboorte. Amper een paar weken oud, gil ik het avond aan avond uit. Mijn ouders staan voor een raadsel. Normaal slaap ik overdag en ’s nacht als een roosje. Alleen tussen mijn ouders in kom ik nog een beetje tot mijn rust. Na een paar dagen treft mijn moeder smurrie aan in mijn bed. Het blijkt uit mijn rechteroor te komen. Ze doet een schietgebedje dat dit een incident is.

Vanaf dat moment hobbel ik echter van de ene oorontsteking naar de andere. Ik lijk te verkeren in een staat van permanente verkoudheid. Het snot stroomt uit mijn neus en ogen. Regelmatig grijp ik naar mijn rechteroor. Nachtenlang spook ik rond. Overdag ben ik humeurig; ik heb pijn en ik ben moe. Mijn moeder neemt me mee naar de huisarts. Hij doet geen enkele moeite om mijn oren nogmaals te inspecteren. Uit zijn printer rolt een papier; ik mag me melden bij de KNO-arts in het ziekenhuis.

Met een lampje schijnt de goede dokter in mijn oren. Hij bromt afkeurend. Het ziet er niet goed uit voor me. Hij rolt zijn stoel terug naar het bureau en haalt zijn agenda tevoorschijn. Over tien dagen mag ik mij melden op de locatie in A. Ik krijg dan een mooi stel buisjes van hem. Het is te hopen dat ze het vocht uit mijn oren goed afvoeren. Anders moet de beste man toch nog naar de kniptang grijpen, legt hij mijn moeder uit. Dat doet hij liever niet want dan wordt het beslist een bloederige zaak.

Op de dag van mijn operatie ben ik rustig. Ik wandel met mijn moeder door de gang van de verpleegafdeling. Zo af en toe ga ik even buurten bij de andere kinderen. De meesten van hen wacht hetzelfde lot als mij. Eén voor één rijdt de zuster de bedden weg van de afdeling. Dan ben ook ik aan de beurt. Mijn moeder draagt mij naar de operatiezaal en legt me neer op een groot bed. Gelukkig, ik begon net al moe te worden. De anesthesist geeft me nog een laatste zetje richting dromenland.

Een vijftal minuten later lig ik op de uitslaapkamer. De verpleegster probeert mij wakker te maken. Ik lig echter net iets te lekker. Ze poetst het snot van mijn gezicht en duwt mijn ledematen weer terug onder de deken. Tevergeefs. Dan haalt mijn moeder me uit bed. Ik kreun en jammer. De zuster meldt ons dat we zo weer naar huis mogen. Ik schreeuw het uit als mijn moeder mij probeert aan te kleden. Dan tovert ze een lekker koekje tevoorschijn. Et voilà, als sneeuw voor de zon is al mijn ellende verdwenen.

Scroll naar boven