Al twee maanden kwijl ik onophoudelijk. Een aantal keer per dag trekt mijn moeder mij noodgedwongen een schoon shirt aan. Ze kent de oorzaak van het leed; mijn eerste tand komt eraan. Ze weet het zeker. Ik kauw als een gek op elke vinger die ik aangeboden krijg. Ook mijn luiers laten niets aan de verbeelding over. Mijn vader voelt elke avond als een gediplomeerd tandarts in mijn mond. Hier en daar een verharding, constateert hij. De tand laat zich echter niet zien.
Weken verstrijken; de tand is lang vergeten. We vertrekken voor een korte vakantie naar het huis van Oma Teun. Het is lekker rustig in de auto. Ik heb vlak voor vertrek nog een fles gedronken. Mijn ogen vallen dicht van de inspanning en het geschommel van de auto. Ook van mijn broers ondervindt mijn moeder nauwelijks overlast. Ze kijken naar de avonturen van Bob en Thomas. Vlak voor aankomst ruikt mijn moeder onraad; ik blijk tot ver op mijn rug onder de diaree te zitten.
Laat diezelfde avond maakt mijn moeder nog een ronde langs haar kroost. Als engeltjes slapen de mannetjes. Dan buigt ze zich over mijn bedje. Haar neusgaten sluiten zich spontaan. Ze maakt het licht aan en ziet mij vrolijk liggen draaien in een plas van diaree. Voor de zoveelste keer binnen 24 uur kleedt ze zichzelf en mij uit. We moeten weer douchen. Mij schoonmaken met billendoekjes is onbegonnen werk. Een kwartiertje later lig ik weer te soesen in mijn campingbedje.
Na een paar dagen is het tijd om mijn oma van het vliegveld te halen. Heel vroeg in de ochtend haalt mijn moeder ons uit bed. Ik krijg nog snel een fles; Bas en Pim eten een broodje onderweg. We hebben een lange reis voor de boeg. Op het vliegveld wacht mijn moeder een onaangename verrasssing. Ik zit wederom onder de diaree. Mijn moeder legt mij op een deken in de achterbak en probeert me zo goed mogelijk schoon te maken. Een heel pak billendoekjes gaat op.
” Ik snap er niets van,” hoor ik mijn moeder tegen mijn oma in de auto zeggen. ” Noor heeft vreselijk diaree maar ze is verder niet ziek.” Mijn oma meent dat ik misschien wel een tandje krijg. Mijn moeder gelooft er niet meer in. ” Nee hoor,” zegt ze zelfverzekerd, ” Noor is net zo’n laatbloeier als Bas.” Na de lange terugreis kijkt ze toch nog voor de zekerheid in mijn mond. Dan voelt ze een messcherp puntje. De tand heeft zich nu eindelijk toch door mijn tandvlees weten te wurmen.
