Tijdens de eerste drie zwangerschappen van mijn moeder is mijn vader standvastig; hij wil een zoon. Dochters zijn problematisch. Mijn vader verafschuwt het beeld van puisterige puberjongens voor de deur en opgevoerde brommertjes op de oprit. Een meisje zal hij noodgedwongen tot 25 jaar moeten opsluiten in haar kamer. Mijn vader kiest er derhalve voor om alleen mannelijk nageslacht te produceren. Voor mijn moeder is het jammer; ze ziet tot drie keer toe haar roze droom in duigen vallen.
Toch geschiedt er een wonder. De verloskundige jubelt. Ze aanbidt zelf haar oudere broer. Ik mag mezelf dus gelukkig prijzen. Mijn moeder meent dat de zaken in mijn geval toch iets anders liggen. Ik heb niet één maar drie grote broers. Een roze bom zal ik nooit worden, vreest ze. Daar zullen mijn broers wel voor zorgen. Ze leren mij met auto’s en treinen te spelen. Ze leren mij door modder en zand te rollen. Ze leren mij in bomen te klimmen en kleine beestjes aan dodelijke experimenten bloot te stellen.
Het lot bepaalt anders. Met mijn moeder ben ik in de schoenenwinkel. Ze bekijkt op haar gemak alle schoenen die de verkoopster in mijn maat heeft uitgestald. Ondertussen neus ik zelf rond. Van de planken trek ik alleen de roze gekleurde exemplaren. De rest blijft onaangeroerd. Mijn moeder kiest een bloemrijk sandaaltje met een koddig lieveheersbeestje achterop. Zo trots als een pauw loop ik in mijn bontjas door de winkelstraat en laat iedere willekeurige passant mijn mooie, nieuwe stappers zien.
Thuis gaan we gezellig met elkaar aan tafel. Mijn broers kiezen een reep chocolade; ik heb liever een bakje frambozen. Met bruine handen en mond vertrekt het tuig naar buiten. Bas graait in de plantenbak naar aarde. Guus krabt ondertussen ongegeneerd aan zijn billen. Mijn oudste broer drinkt een grote slok water uit de regenton. Binnen speel ik zoet met mijn poppen. Ik kam hun haren met de borstel, knuffel ze en leg ze vervolgens in de wandelwagen. Dan loop ik een rondje door de woonkamer.
Ik installeer me voor mijn make-up doos. Dan stormt het gajes naar binnen. Mijn oudste broer pakt de borstel uit mijn hand en kamt met zorg mijn haar. Mijn jongste broer zoekt ondertussen naar een speldje om mijn lange lokken uit mijn ogen te houden. Guus haalt de kettingen uit de doos. Ik kies het exemplaar met de bedels van Nijntje Pluis. Tevreden kijk ik in de spiegel. Dan pak ik mijn tas en sla hem over mijn schouder. Mijn voeten steek ik in de schoenen van mijn moeder. Ik ben op en top roze.
