Regelmatig zetten wij met onze kleine blauwe bus koers naar het zuiden. Daar bezoeken wij opa Boermans en/of oma Teun. De reis duurt bijna twee uur. Ikzelf val steevast in slaap door het wiegen van de auto. Mijn oudste twee broers vermaken zich ondertussen prima met de dvd-schermen. Mijn jongste broer heeft het daarentegen heel moeilijk. Het eerste uur van de reis houdt hij zich meestal goed. Daarna slaat de verveling toe. Hij huilt dikke tranen totdat we bij de -verlossende- afslag zijn.
Mijn moeder gaat in gedachte op zoek naar een werkbaar alternatief. De postbode biedt uitkomst; op de deurmat ligt een flyer van de nationale spoorwegvervoerder. Voor een paar euro kan ze een kaartje naar het station in de dichtstbijzijnde stad kopen. Mijn broers zijn dolenthousiast du moment mijn moeder haar plannen met ons deelt. Zelf moet ze even naar adem happen; met vier kinderen twee uur in de trein. Met ook nog een overstap. Ze praat zichzelf moed in en bestelt een kaartje via de webshop.
De reis verloopt naar volle tevredenheid. Pim en Guus luisteren goed naar de aanwijzingen die mijn moeder tijdens onze overstap geeft. Bas zit veilig opgeborgen in de rugdrager en ik lig heerlijk te relaxen in mijn karretje. In onze aansluitende trein eten we een broodje en drinken onze bekers leeg. Dan gaan we op onderzoek uit. Mijn broers en ik rennen over het gangpad en knopen een gesprekje aan met onze medereizigers. Tot het laatste halfuur. Dan wordt het me teveel en ben ik degene die dikke tranen huilt.
Op de terugreis vertoef ik tot halverwege de reis in dromenland. Daarna hobbel ik vrolijk door de trein. Guus heeft de liefde van zijn liefde gevonden en is niet bij de jonge twintiger weg te slaan. Pim vermaakt een paar studentes met zijn acteerkunsten. Even verderop aait mijn jongste broer een klein, lief hondje. In de sprinter tussen U. en B. gooien mijn broers met mijn knuffelpoes. Ze hebben de grootste lol dat ik wanhopig probeer hem terug te krijgen. Uiteindelijk vangt mijn moeder Mauw en bergt hem op.
Alle voorzorgsmaatregelen ten spijt; mijn Mauw is nu weg. Een onverlaat moet hem op het allerlaatste moment uit de wandelwagen hebben gehaald. Mijn moeder zoekt op en rond het station. Uiteindelijk belt ze de klantenservice. Na enkele dagen sluit de spoorwegvervoerder het dossier van Mauw ; hij is spoorloos verdwenen. In de winkel zoek ik een nieuwe Mauw uit. De keus valt op een groot zwart-wit exemplaar. Van ons treinavontuur houd ik dus letterlijk en figuurlijk een flinke kater over.
